Ontwikkeling van micro- en macro-algen



Set VN link, Property name = Context, Property VN name = Context

Model link = VM Ontwikkeling van micro- en macro-algen

Result = VM Het Veerse Meer VN

End Set VN link


Set VN link, Property name = Produces, Property VN name = Produces

Model link = VM Ontwikkeling van micro- en macro-algen

Result =

End Set VN link


Set VN link, Property name = Consumes, Property VN name = Consumes

Model link = VM Ontwikkeling van micro- en macro-algen

Result =

End Set VN link


Set VN link, Property name = Part of, Property VN name = Part of

Model link = VM Ontwikkeling van micro- en macro-algen

Result = VM Ecologie Veerse Meer na ingebruikname doorlaat VN, VM Ecologie Veerse Meer voor ingebruikname doorlaat VN

End Set VN link


Set VN link, Property name = Instance of, Property VN name = Instance of

Model link = VM Ontwikkeling van micro- en macro-algen

Result =

End Set VN link


Set VN link, Property name = Concerns, Property VN name = Concerns

Model link = VM Ontwikkeling van micro- en macro-algen

Result =

End Set VN link





















Primaire productie

De primaire productie van het fytoplankton in het Veerse Meer werd voor het eerst gemeten in de periode 1969 t/m 1971; de jaarproductie bedroeg toen 250-360 g C m-2 en het grootste deel van de jaarproductie vond plaats tijdens het vroege voorjaar (Bakker & Vegter, 1978). In 1980, 1982 en 1983 (januari t/m juli) werd de primaire productie op een drietal locaties gemeten; de jaarproductie in de jaren 1980 en 1982 varieerde tussen 229 en 377 g C m-2 en 65 a 80 % van de jaarproductie werd gerealiseerd in de periode maart t/m juli (Stronkhorst et al.). De hoogste jaarproductie werd gemeten in het oostelijke deel; in het midden en westelijke deel lag de primaire productie op een duidelijk lager niveau. Na 1983 werd geen primaire productie meer uitgevoerd in het Veerse Meer. Omdat het beheer in al die jaren steeds hetzelfde is gebleven is het redelijk te veronderstellen dat de jaarproductie zich steeds op een ongeveer vergelijkbaar niveau heeft bevonden. In de jaren 2002 en 2003, met grote algenbloeien, zal de primaire productie zeker hoger geweest zijn (Holland et al. 2004).

Ontwikkeling micro-algen (fytoplankton) voor ingebruikname doorlaat

Figuur 1: Dinoflagellaten, diatomeeën en overige soorten in aantal/l. Watermonsters afkomstig van 1 m. diepte, op locatie Soelekerkepolder.(Holland et al. 2004).

Het Veerse Meer was voor veel mariene en zoete soorten fytoplankton ongeschikt door de hoge nutriëntenbelasting, sterk wisselende chlorideconcentraties, gelaagdheid en zuurstofloosheid. Ook het ontbreken van turbulentie was een factor die in grote mate de soortensamenstelling bepaalt. Binnen het fytoplankton worden drie groepen onderscheiden: diatomeeën of kiezelwieren, dinoflagellaten of pantserwieren en ‘overige soorten’. De groep overige soorten bevat vooral kleine soorten die zich met behulp van flagellen (zweepdraden) voortbewegen. Figuur 1 geeft een beeld van het verloop van de aantallen dinoflagellaten, diatomeeën en overige soorten in oppervlaktemonsters (1m diepte) in de jaren 1990 t/m 2003. Wetsteyn (2004) geeft een nadere uitwerking van aantallen soorten of soortgroepen fytoplankton, ook in vergelijking met de Oosterschelde.

Ontwikkeling micro-algen (fytoplankton) na ingebruikname doorlaat

Figuur 3: Concentratie van microflagellaten op meetlocatie Soelekerkepolder-Oost in de jaren 2000-2012 (Prins en Vergouwen 2015).

De hoge concentraties chlorofyl in de laatste jaren voor de opening van de Katse Heule werden veroorzaakt door grote bloeien van microflagellaten, vooral bestaand uit groenalgen (zoetwatersoorten) van enkele μm in doorsnede (Figuur 3). Na ingebruikname van het doorlaatmiddel zijn deze bloeien niet meer waargenomen. De biomassa van dinoflagellaten in het Veerse Meer is 5-10 maal hoger dan de biomassa gemeten in de Oosterschelde, en ongeveer 2/3 van de biomassa in het Grevelingenmeer. De relatief hoge dichtheden dinoflagellaten in Veerse Meer en Grevelingen zijn typisch voor systemen met geringe hydrodynamiek. De hoogste celaantallen die worden waargenomen (> 1 miljoen cellen/l) betreffen dinoflagellaten van de geslachten Gymodinium, Heterocapsa en Prorocentrum. Deze soortgroepen zijn ook in het Grevelingenmeer het meest abundant (Wetsteijn 2011). De biomassa van dinoflagellaten bereikte een piek in 2003 en 2004 door bloeien van soorten van het genus Gymnodinium en Heterocapsa. Vooral in het jaar 2012 kwamen ook relatief hoge aantallen van Heterocapsa spp. voor (Figuur 4). In deze groep is incidenteel ook Heterocapsa triquetra waargenomen, die bij hoge dichtheden (>5 miljoen cellen/l) tot verkleuring van het water (‘red tide’) kan leiden. Zo’n hoge dichtheid is slechts eenmaal waargenomen, namelijk in 2004 voor de opening van het doorlaatmiddel.

Figuur 4: Concentratie van microflagellaten op meetlocatie Soelekerkepolder-Oost in de jaren 2000-2012 (Prins en Vergouwen 2015).
Figuur 5: Gemiddelde biomassa van diatomeeën in het groeiseizoen maart-september op meetlocatie Soelekerkepolder-Oost in de jaren 2000-2012 (Prins en Vergouwen 2015)

Craeymeersch en De Vries (2007) verwachtten dat de biomassa van zoutwatersoorten zoals diatomeeën en dinoflagellaten zou toenemen na de ingebruikname van de Katse Heule. De biomassa van diatomeeën fluctueert zonder duidelijke trend (Figuur 5). Er zijn evenmin eenduidige veranderingen in de soortensamenstelling van diatomeeën of dinoflagellaten opgetreden na de ingebruikname van de Katse Heule.

Ontwikkeling macro-algen voor ingebruikname doorlaat

Figuur 6: Drooggevallen zeesla met daarop alikruiken.(Holland et al. 2004).

De waterkwaliteit van het Veerse Meer wordt sterk beïnvloed door de toevoer van nutriëntenrijk water uit de omliggende polders. Dit leidde in het verleden tijdens de zomer tot een massale ontwikkeling van groenwieren of macroalgen, vooral in de ondiepe delen en oeverzones van het meer. Het meest dominante wier was zeesla met als voornaamste soort Ulva lactuca, (Figuur 6)) gevolgd door een andere groenwiersoort met de naam Chaetomorpha sp.. Grote hoeveelheden zeesla worden als hinderlijk ervaren door pleziervaart en andere vormen van recreatie. Als het waterpeil voor de winterperiode wordt verlaagd konden grote massa’s zeesla enige tijd zorgen voor stankoverlast. Daarnaast werd op plaatsen waar zeesla dichte matten vormde de zuurstofvoorziening van het onderliggende sediment sterk beïnvloed, wat negatieve gevolgen had voor onder andere de bodemfauna.

Zeesla ontwikkelt zich optimaal in een waterdiepte tussen 0 en 1,5 m en bij een zoutgehalte van ongeveer 10 - 17 g chloride/l. De bloei van zeesla begint ongeveer medio mei en de maximale omvang (biomassa) wordt in juli bereikt.

Tabel 1: Ontwikkeling Zeesla in het Veerse Meer van 1989 t/m 2003. Voor de bronnen zie.Holland et al. 2004
Jaar Oppervlakte (ha) Bedekkingsgraad Asvrijdrooggewicht (t) Bron
1987 715 35% 615 Hannewijk, 1988
1989 592 29% 376 Apon, 1990
1992 458 Wattel, 1994
1999 676 33% 848 (berekend) Kamermans et al. 1999
2003 nihil nihil nihil Wetsteyn, pers. med.

Gegevens van de verspreiding en de biomassa van zeesla zijn schaars (zie tabel 1). De resultaten in tabel 1 laten zien dat de bedekkingsgraad in 1989 en 1999 rond 30% was, een gebied met een oppervlakte van ruim 600 ha. De biomassa laat echter grotere variatie zien wat erop duidt dat de hoeveelheid zeesla per m2 in de tijd wel flink varieerde. Uit onderzoek uitgevoerd in 1999, bleek een mogelijk verband tussen de hoeveelheid neerslag en daarmee de mate van aanvoer van nutriëntenrijk polderwater en de biomassa van Zeesla. (Kamermans et al. 1999) In 2003 is zeesla vrijwel niet meer aanwezig. Dit is veroorzaakt door een hoge biomassa van (micro)fytoplankton dat in het water zweeft, en waardoor lichtbeperking optrad (Peperzak, 2004).

Ontwikkeling macro-algen na ingebruikname doorlaat

Figuur 7: Macro-algen bedekking van de ondiepe delen van het Veerse Meer (0–2 m exclusief oeverbedekking),uitgedrukt in totaal van het bedekte oppervlak (totaal: de som van alle vlakken met macro-algen van alle bedekkingsklassen in ha) en in de gewogen bedekking (middelpunt bedekkingsklasse * ha) (Prins en Vergouwen 2015).

Na de aanvang van de reeks met surveys in 2006 schommelde het totale areaal waar macro-algen zijn aangetroffen op het zachte substraat van de ondiepe delen van het Veerse Meer tussen 500 ha en 700 ha met een minimum van 280 ha in 2011 (Figuur 7). Aangezien de totale oppervlakte van de ondiepe delen van het Veerse Meer geschat is op ongeveer 700 ha, kan geconcludeerd worden dat in alle ondiepe delen (0–2 m diepte) van het Veerse Meer in principe macro-algen kunnen voorkomen. De gewogen bedekking (een maat voor de totale abundantie) vertoonde vergelijkbare variatie maar de absolute schommelingen waren minder groot (76 ha in 2011 met een maximum van 213 ha in 2008) en met een minder snel herstel na de dip van 2011. Dit houdt in dat er grote variatie is in het oppervlak waar macro-algen voorkomen, maar dat de totale abundantie minder lijkt te fluctueren.

Vanaf 2006 is door de Monitor Taakgroep van het NIOZ-Yerseke in opdracht van RWS (RIKZ, later Zee en Delta) de verspreiding en abundantie van de dominante macro-algengroepen op het zachte substraat van de ondiepe delen (tot 2 m diepte) in het Veerse Meer regelmatig visueel geïnventariseerd (Van Avesaath et al. 2011); (Van Avesaath et al. 2013) Van Avesaath et al. 2014).

Zeesla

Figuur 8: Zeesla-bedekking in verschillende klassen op de ondiepe delen (<2m) van het Veerse Meer NB: in 2007 is er geen onderscheid gemaakt tussen Zeesla en andere groenwieren (Prins en Vergouwen 2015).

Tot het jaar 2000 werd het systeem gedomineerd door zeesla (peiljaar 1999; zie (Kamermans et al. 1999)). Daarna is de verspreiding en abundantie van de soort sterk afgenomen en is deze in 2003 zelfs niet meer aangetroffen. De afname werd hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door lichtlimitatie als gevolg van de grote fytoplanktonbloei in 2003 (Holland et al. 2004). Zeesla is na de opening van de Katse Heule in 2004 opnieuw toegenomen (Figuur 7.9). De extreme situatie voor de opening van de Katse Heule zoals is waargenomen in 1999 heeft zich gedurende de surveys van de laatste 8 jaar (2004-2012) niet meer voorgedaan. In 1999 werd zeesla op alle ondiepe delen van het Veerse Meer aangetroffen met een (veel) hogere bedekking dan 5 % (Figuur 8 zie Kamermans et al. 1999). Sinds de start van de monitoring in 2006 is een afname in de verspreiding en de totale abundantie van zeesla waar te nemen tot 2011 (met 2007 als negatieve uitschieter – Figuur 8). Daarna nam de verspreiding toe en benaderde het oppervlak waar zeesla is aangetroffen het peil van 2006. De totale abundantie is vanaf 2011 echter nauwelijks toegenomen. Dit houdt in dat de verspreiding van de soort weliswaar weer is toegenomen, maar voornamelijk in zeer lage bedekkingen (Figuur 8). De laatste waarde van de totale abundantie lag op ongeveer 15 % van de totale abundantie van 1999. Gezien de trends sinds 2006 is het waarschijnlijk dat de situatie van voor de opening van de Katse Heule zich onder normale omstandigheden niet meer zal voordoen (Prins en Vergouwen 2015).

Roodwieren

Figuur 9: Roodwierbedekking in verschillende klassen op de ondiepe delen (<2m) van het Veerse Meer (Prins en Vergouwen 2015).

Voor de installatie van de Katse Heule kwamen roodwieren al in het Veerse Meer voor en waren zij lokaal abundant (Kamermans et al. 1999). Gedurende het laatste decennium heeft de gemeenschap van roodwieren (voornamelijk Gracilaria/Gracilariopsis spp.) zich goed kunnen ontwikkelen (Figuur 9). Het is waarschijnlijk dat de veranderde waterkwaliteit/hydrodynamiek als gevolg van de Katse Heule hier een rol in heeft gespeeld. Sinds 2008 is de totale abundantie van de roodwieren hoger dan die van zeesla. Net als zeesla zijn ook de roodwieren in 2011 tijdelijk achteruitgegaan. Een eenduidige verklaring is hier niet voor te geven. Sinds de minimum abundantie in 2011 is de bedekking (verspreiding) van de soort sneller toegenomen dan de totale abundantie (Prins en Vergouwen 2015).

Bruinwieren

Figuur 10: Bruinwier bedekking van de ondiepe delen van het Veerse Meer (0–2 m exclusief oeverbedekking). Het betreft voornamelijk Japans bessenwier. Voor overige uitleg zie Figuur 7. NB: Vanaf 2008 zijn verspreidingsgegevens bekend; vanaf 2013 is een specifieke inventarisatie in juni uitgevoerd. (Prins en Vergouwen 2015).

Ook de populatie van de bruinwieren is sinds het voorgaande decennium in ontwikkeling (Figuur 10). De ‘explosieve’ toename van de bruinwieren (Japans bessenwier) waar sinds 2013 sprake van lijkt, wordt veroorzaakt door het feit dat de opname van het bestand in het late voorjaar is gedaan. In die periode is de soort nog volop aanwezig en kan de verspreiding beter worden geïnventariseerd dan na de zomer, als veel van de erecte thalli van de soort verdwenen zijn. De soort is nu wijd verspreid en abundant aanwezig in het Veerse Meer. Het is wel mogelijk dat de populatie van Japans bessenwier zich verder ontwikkelt en door de waterrecreant (booteigenaren) kan worden ervaren als een soort die overlast veroorzaakt. De soort is echter alleen waargenomen op locaties ondieper dan 1.5 m. Dit is een diepte waar grootschalige (plezier)vaart niet voorkomt. Wel kan dit lokaal en tijdelijk een probleem vormen voor met name surflokaties en de vaarroute tussen de watersporthaven en het meer.

Een kaart van de verspreiding van macro-algen in het Veerse Meer staat in Prins en Vergouwen 2015 (pagina 52). 



Referenties


HZ University of Applied Sciences
Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Milieu
Projectbureau Zeeweringen
Waterschap Scheldestromen
Provincie Zeeland
Deltares