Opbouw van de kleidijk



Set VN link, Property name = Context, Property VN name = Context

Model link = Opbouw van de kleidijk

Result = Natuurwaardenverhogende kleidijk VN

End Set VN link


Set VN link, Property name = Produces, Property VN name = Produces

Model link = Opbouw van de kleidijk

Result =

End Set VN link


Set VN link, Property name = Consumes, Property VN name = Consumes

Model link = Opbouw van de kleidijk

Result =

End Set VN link


Set VN link, Property name = Part of, Property VN name = Part of

Model link = Opbouw van de kleidijk

Result = Ontwerpen van een kleidijk VN

End Set VN link


Set VN link, Property name = Instance of, Property VN name = Instance of

Model link = Opbouw van de kleidijk

Result =

End Set VN link


Set VN link, Property name = Concerns, Property VN name = Concerns

Model link = Opbouw van de kleidijk

Result =

End Set VN link







Het gebruik van klei voor de constructie van een veilig en natuur- en landschappelijk waardevol buitentalud vraagt een laagdikte van enige meters met een bij voorkeur zo flauw mogelijk talud. Op het talud wordt waar mogelijk het ontwikkelen van een min of meer gesloten vegetatie gestimuleerd. De bekleding moet zo worden gedimensioneerd, dat schade bij ontwerpomstandigheden geen aantasting van de rest van de dijk (zandkern en kruin) veroorzaakt. Vanwege de eigenschappen, die staan vermeld onder Ontwerpen van een kleidijk, ontstaat een opbouw van de bekleding in drie lagen:

  • een toplaag als afdekking;
  • een tussenlaag om de structuurvorming op te vangen;
  • een onderlaag om de golfbelasting tijdens maatgevende belasting te weerstaan.

Toplaag

Het is van belang de structuurvorming tegen te gaan door verdroging zo veel mogelijk te voorkomen. Het ontwerp gaat daarom uit van een toplaag van circa 0,5 m, die de verdedigende laag afdekt en zo veel mogelijk bestaat uit oorspronkelijk lokaal bodemmateriaal met het oog op de te realiseren begroeiing. De erosiebestendigheid van deze toplaag wordt niet meegerekend bij de sterktebepaling van de bekleding. Deze toplaag heeft daarmee een dubbele functie: voedingsbodem voor een gebiedseigen begroeiing (een soort ‘make-up’ laag dus) en remming van de structuurvorming van de onderliggende kleilaag, die de werkelijke taludverdediging vormt. Aantasting door graverij (muizen, mollen, muskusratten etc.) is wel in deze laag toelaatbaar maar niet in de lagen daaronder. Eventueel kan de beheerder kiezen voor het niet toepassen van een toplaag, maar dan moet hij nauwkeurig onderhoud plegen aan de tussenlaag, waarvan de dikte niet significant mag afnemen.

Tussenlaag

De eventuele toplaag zal niet alle structuurvorming kunnen stoppen. Daarom wordt het bovenste gedeelte van de verdedigende laag aangemerkt als een tussenlaag waarin de structuurvorming wordt opgevangen. Dit gedeelte telt daarom niet mee bij de sterktebepaling van de bekleding. Bij aanleg bestaat geen onderscheid tussen beide lagen. Wat als tussenlaag wordt aangemerkt, ontwikkelt zich in de loop der jaren. Voor de bij het ontwerp aan te merken uiteindelijke dikte van de tussenlaag is de planperiode van belang en de snelheid van structuurvorming loodrecht op het talud. Uitgaande van een snelheid van structuurvorming van 10 mm/jaar (zie eigenschappen betekent dit voor een planperiode van 50 jaar een laagdikte van 0,5 m. Deze tussenlaag dient ook om stormschade op te vangen die vlak voor de maatgevende storm kan optreden.

Onderlaag

Regelmatig voorkomende belastingen zullen bij normaal goed beheer in de regel door de toplaag en de tussenlaag worden opgevangen. De onderlaag moet na erosie van toplaag en tussenlaag sterk genoeg zijn om de maatgevende golfbelasting te weerstaan. De taludhelling is meestal bepaald door de aanwezige uitgangssituatie en de gewenste wijze van aansluiting aan de voorliggende kwelder. In veel gevallen zal de taludhelling circa 1:6 of flauwer zijn, maar steilere taluds zijn mogelijk. De dikte van de onderlaag is afhankelijk van de voorziene schadeontwikkeling tijdens maatgevende omstandigheden. De zwaarte van de golfaanval op de bekleding is daarbij afhankelijk van de momentane waterstand op het voorland. De eerste duidelijk zichtbare erosie van de toplaag zal plaatsvinden door op het talud brekende golven vanaf een waterstand van circa 0,5 m boven het voorland. Bij stijgende waterstand zal ergens tussen 0,5 m en 1 m waterstand boven het voorland een gat zijn geslagen tot op de onderliggende kleilaag. Vanaf dat moment begint de aanval door de brekende golven op de werkelijke verdediging, enige decimeters onder de momentane waterstand, waarbij eerst de gestructureerde laag erodeert. Bij verder stijgende waterstand zal de toplaag en de tussenlaag mee ‘oprollen’ en zal het punt van maximale erosiediepte van de onderlaag zich naar boven verplaatsen. Langs de kust zal de verhouding tussen de stijgsnelheid van de waterstand en de erosiesnelheid van ongestructureerde klei bepalend zijn voor de te bereiken maximale erosiediepte. Slijterosie door stroming / golfoploop / golfneerloop levert een ondergeschikte bijdrage aan het bereiken van de maximale erosiediepte in de onderlaag.



HZ University of Applied Sciences
Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Milieu
Projectbureau Zeeweringen
Waterschap Scheldestromen
Provincie Zeeland
Deltares