Ontwikkeling van oevers en eilanden



Set VN link, Property name = Context, Property VN name = Context

Model link = GVZM Ontwikkeling van oevers en eilanden

Result = GVZM Het Grevelingenmeer VN

End Set VN link


Set VN link, Property name = Produces, Property VN name = Produces

Model link = GVZM Ontwikkeling van oevers en eilanden

Result =

End Set VN link


Set VN link, Property name = Consumes, Property VN name = Consumes

Model link = GVZM Ontwikkeling van oevers en eilanden

Result =

End Set VN link


Set VN link, Property name = Part of, Property VN name = Part of

Model link = GVZM Ontwikkeling van oevers en eilanden

Result = GVZM Ontwikkeling waterkwaliteit en natuurwaarde van de Grevelingen VN

End Set VN link


Set VN link, Property name = Instance of, Property VN name = Instance of

Model link = GVZM Ontwikkeling van oevers en eilanden

Result =

End Set VN link


Set VN link, Property name = Concerns, Property VN name = Concerns

Model link = GVZM Ontwikkeling van oevers en eilanden

Result =

End Set VN link



















Figuur 1: Afslag aan de noordoever van de Veermansplaat. Het weggeslagen zand wordt deels naar binnen gespoeld (wash over) (foto: Kees de Kraker).

Oevers

Na het ontstaan van het Grevelingenmeer waren de schorren snel ontzilt en raakten begroeid met zoete pioniersoorten. De slikken ontziltten langzamer en gingen via een zoute en brakke vegetatie over in zoete graslanden en struwelen. Door een sterk verschillend beheer in de twee deelgebieden, beweiden in het zuidelijke deel en niets doen in het noordelijke deel, hebben zich geleidelijk aan twee deelgebieden ontwikkeld die ieder een eigen karakter hebben. In het zuiden is een landschap van bloemrijke graslanden met beginnende struwelen ontstaan, terwijl er in het noorden sprake is van bosontwikkeling, in feite een beginnend oerbos. Alleen in de oeverzone dichtbij het (zoute) meer is er nog sprake van kale delen en een smalle zone waarin zoute en brakke vegetaties voorkomen (Van der Pluijm en De Jong 2003).

Figuur 2: De topografie van het Grevelingenmeer met de belangrijkste namen van de oevergebieden en de eilanden (uit: De Kraker 2015).

Eilanden

Figuur 3: De bodem van het slik Dijkwater is voedselrijk en laaggelegen en nog niet ontzilt (foto: Kees de Kraker).

Op de eilanden zijn gebieden waar wel en geen vegetatiesuccessie plaatsvindt. Net als op de Slikken van Flakkee hangt dit sterk samen met het beheer: waar begrazing of actief beheer plaatsvindt, treedt geen vegetatiesuccessie op; in gebieden zonder begrazing en actief beheer wel. In zoute delen van de eilanden treedt vrijwel geen vegetatiesuccessie op (figuur 3). In gebieden waar successie plaats heeft gevonden is een houtige vegetatie zoals bos, wilgenstruweel en/of duindoornstruweel aanwezig. Gebieden waar geen successie op heeft getreden bestaan uit zeer waardevolle kalkminnende duinvalleivegetaties tot schorvegetaties afhankelijk van de mate van zoutindringing in de bodem Bouma et al. (2008). Tot de waardevolle duinvalleivegetaties behoren die waarin de groenknolorchis voorkomt. Zie daarvoor deze pagina. Ook de herfstschroeforchis is een soort die voorkomt in duinvalleivegetaties. Op de Hompelvoet is deze soort de laatste jaren (tot 2017) spectaculair toegenomen (De kraker 2017).

Vegetatiekaart van de oevers en eilanden

Voor de Grevelingen is een ecotopenkartering gemaakt die naast de structuurinformatie ook de zoutgradiënt, dat wil zeggen het onderscheid tussen de zoet-brak-zout-vegetatie bevat (Reitsma en de Jong 2013).
De kaarten zelf staan in de bijlagen:

De Kraker (2012) geeft een mooi overzicht van de bijzondere vegetaties die in het gebied van de Grevelingen te vinden zijn.

Erosie van oevers

Figuur 4: Oeverbescherming met behulp van steenbestorting op de vooroever.

Sinds het meer stagnant is geworden in 1971 vindt er afslag van de oevers plaats. Consemulder (1996) berekent een jaarlijkse afslag van droog gebied van 6,06 ha in de periode 1980-1990 en 2,71 ha in de periode 1990-1995. Het areaal ondiep water is in de genoemde periodes toegenomen met respectievelijk 8,49 ha en 5,42 ha. Consemulder en Liek (2000) voegen daar nog periode 1995-1998 aan toe, maar merken tevens op dat het aantal beoordeelde metingen beperkt is door het niet goed uitvoeren van het meetprogramma en door fouten in de metingen. Hoeksema en Liek (2002) concluderen dat van de onverdedigde oevers weliswaar driemaal zo veel droge oppervlakte is verdwenen in de periode 1990-2001 (52 ha), vergeleken met de decade daarvoor (17,2 ha), maar dat 50 ha daarvan voor rekening komt van de Slikken van Flakkee. In het algemeen lijkt de erosie van de onverdedigde oevers zich te gaan stabiliseren.

In de jaren na de afsluiting is er veel onderzoek verricht naar de manieren waarop de oevers kunnen worden beschermd tegen erosie door golfwerking. Fortuin (1989) geeft een overzicht voor het Veerse Meer en het Grevelingenmeer van de verschillende methoden die zijn ontwikkeld, de kosten en de effecten op de natuur (Fortuin 1989 (deel 2)).



Referenties


HZ University of Applied Sciences
Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Milieu
Projectbureau Zeeweringen
Waterschap Scheldestromen
Provincie Zeeland
Deltares