Ontwikkeling populatie watervogels



Set VN link, Property name = Context, Property VN name = Context

Model link = GVZM Ontwikkeling populatie watervogels

Result = GVZM Het Grevelingenmeer VN

End Set VN link


Set VN link, Property name = Produces, Property VN name = Produces

Model link = GVZM Ontwikkeling populatie watervogels

Result =

End Set VN link


Set VN link, Property name = Consumes, Property VN name = Consumes

Model link = GVZM Ontwikkeling populatie watervogels

Result =

End Set VN link


Set VN link, Property name = Part of, Property VN name = Part of

Model link = GVZM Ontwikkeling populatie watervogels

Result = GVZM Ontwikkeling waterkwaliteit en natuurwaarde van de Grevelingen VN

End Set VN link


Set VN link, Property name = Instance of, Property VN name = Instance of

Model link = GVZM Ontwikkeling populatie watervogels

Result =

End Set VN link


Set VN link, Property name = Concerns, Property VN name = Concerns

Model link = GVZM Ontwikkeling populatie watervogels

Result =

End Set VN link










Figuur 1: Rustende lepelaars in de Grevelingen, met op de voorgrond een bergeend (foto: Kees de Kraker).

De Nederlandse Delta is van grote internationale betekenis als broed-, doortrek- en overwinteringsgebied voor watervogels. Binnen de Nederlandse Delta is het Grevelingenmeer van internationaal belang voor acht soorten watervogels, waarvan lepelaar, middelste zaagbek, rotgans en brandgans de belangrijkste zijn. Watervogels staan aan het eind van de voedselketen en vervullen daarmee een belangrijke signaalfunctie op veranderingen in het ecosysteem. Bij het inventariseren van watervogels wordt onderscheid gemaakt in visetende, bodemdieretende en plantetende watervogels. In de Nederlandse Delta is het Grevelingenmeer verreweg het belangrijkste gebied voor diverse soorten visetende watervogels (Wetsteijn 2011).

Visetende watervogels

Het afgelopen decennium nemen vrijwel alle viseters in de Grevelingen sterk tot zeer sterk af. De gezamenlijke afname bedraagt 67% in tien jaar. Ook in het seizoen 2016/2017 lijkt deze trend zich nog door te zetten. Het is mogelijk dat er een verband is met de zuurstofloosheid op grotere dieptes in de Grevelingen. Hoewel veel viseters juist foerageren in de ondiepere delen, is er mogelijkerwijs een verband met verminderde hoeveelheden van bepaalde soorten vis. Zo’n voedselafname bepaalt dan wellicht de afname van de viseters. Een daadwerkelijk verband blijft, zonder gedegen onderzoek, vooralsnog giswerk (Hoekstein 2017).

Figuur 2: Jaargemiddelden van vier soorten viseters in de Grevelingen in de periode 1986-2015 (Hoekstein 2017).

Het jaargemiddelde van de viseters in het Grevelingenmeer nam in de jaren tachtig toe tot gemiddeld 8310 per maand in 1995 (figuur 2). In de periode 1993-2009 lag het jaargemiddelde van de viseters rond de 5000 per maand. Sindsdien namen de aantallen echter af en in de seizoen 2013-2015 lag het jaargemiddelde van de viseters onder de 3000. In het seizoen 2015/2016 is het jaargemiddelde zelfs onder de 2000 gezakt. De negatieve trend van de viseters werd in eerste instantie veroorzaakt door de aantalsontwikkeling van de fuut, aalscholver en na 2006 tevens door die van de geoorde fuut. De dodaars en middelste zaagbek nemen de laatste drie jaren ook in aantal af (figuur 1). De geoorde fuut kent een bijzonder aantalsverloop in de Grevelingen: na een spectaculaire groei van 1986 tot 2005 waren voor Noordwest-Europa ongekend grote aantallen aanwezig (maximaal 8100 in september 2003). Nadien waren de aantallen lager en was de trend negatief (Hoekstein 2017).

Bodemdiereters

De bodemdiereters worden onderverdeeld in drie groepen:

  • de benthivore (bodemdieretende) eenden (met name bergeend en brilduiker);
  • de ‘zoete steltlopers’, met name kievit en goudplevier;
  • ‘getijde-steltlopers’; veel van deze vogels foerageren in de Oosterschelde en overtijen in de Grevelingen; een deel van deze getijde-steltlopers zoekt voedsel in de Grevelingen zelf. Kleinere aantallen komen ook vanuit de Voordelta om te overtijen.
Figuur 3: Jaargemiddelden van de drie soorten bodemdieretende watervogels in de Grevelingen in de periode 1986-2015 (Hoekstein 2017).

Van de benthivore eenden ligt sinds het begin van de tellingen het jaargemiddelde meestal tussen de 1000 en 2000 (figuur 3). Er zit op groepsniveau sinds eind jaren ´90 een zeer licht positieve trend in. Op soortniveau zijn er wel degelijk ontwikkelingen. Van de twee talrijkste vertegenwoordigers van deze groep is de bergeend toegenomen terwijl de brilduiker juist sterk afneemt. De zoete steltlopers, met name kievit en goudplevier, komen in sterk wisselende aantallen voor. Er is een toename tot 2003, daarna zijn de aantallen wat lager. Hierbij speelt een rol dat de winters van de seizoenen 2009-2012 koud waren. In de zachte winter van 2015/2016 waren er veel kieviten en goudplevieren; het gecombineerde maximum bedroeg ruim 16.260 in december 2015. Getijdesteltlopers nemen vanaf 1986 gestaag toe, maar ook bij deze groep was sprake van lage aantallen in de koude wintermaanden januari en februari in de seizoenen 2009-2012. De toename illustreert het belang van de Grevelingen, in het bijzonder de zuidpunt van de Slikken van Flakkee als hoogwatervluchtplaats. Steltlopers die met laagwater voedsel zoeken op de droogvallende slikken en platen in de Oosterschelde vliegen met hoogwater naar deze locatie. De vogels vliegen daarvoor soms aanzienlijke afstanden. Blijkbaar is de rust, die in de Grevelingen nog te vinden is, cruciaal. Rond de Oosterschelde zijn door toegenomen recreatiedruk veel rustplaatsen verdwenen (Hoekstein 2017).

Planteneters

Figuur 4: Jaargemiddelden van de vier groepen plantenetende watervogels in de Grevelingen in de periode 1986-2015 (Hoekstein 2017).

Bij de planteneters worden vier groepen onderscheiden: eenden, ganzen, zwanen en de Meerkoet. Elk van deze groepen heeft een andere aantalsontwikkeling. De aantallen herbivore (plantenetende) eenden kunnen van seizoen tot seizoen flink variëren. Toch zijn verschillen tussen de pieken en dalen sinds 2002 wat minder groot dan in de periode ervoor. Op de lange termijn is bij deze groep geen sprake van een duidelijke toe- of afname, maar op korte termijn is er een negatieve trend vanaf 2009. Anders ligt het bij de ganzen. Deze groep is, zoals in heel Nederland, lange tijd gestaag toegenomen, maar sinds 2010 nemen de aantallen enigszins af. Daarnaast is het aandeel ‘ zomerganzen’ binnen deze groep flink gegroeid. Het aantal ganzen in periode april/september bedraagt sinds 2008 zo’n 20% van het jaartotaal en in 2015/2016 zelfs bijna 40%. Voordien bedroeg dat circa 10%. De zwanen vormen kwantitatief een bescheiden groep. De ontwikkeling van deze groep wordt grotendeels bepaald door de aantallen knobbelzwanen. Kleine zwaan en wilde zwaan zijn veel minder talrijk, al neemt hun aandeel de laatste paar jaar wat toe (Hoekstein 2017).





Referenties


HZ University of Applied Sciences
Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Milieu
Projectbureau Zeeweringen
Waterschap Scheldestromen
Provincie Zeeland
Deltares